tekst: Annemarie Verhallen
O, help, wat is dit? We zijn op de Vierdaagse beland! Na 2000 km fietsen langs verlaten wegen, eindeloze heuveltjes en ijzige tegenwind trotserend, begeven wij ons bij Puente La Reina op de hoofdroute naar Santiago de Compostela. De romantiek van de middeleeuwse pelgrimage lijkt, 1000 km van het doel, voorgoed in het putje te zijn verdwenen. Gelukkig blijkt dit een vergissing. De knop moet even om en dan besef je dat al die sjouwende mensen daar al ruim duizend jaar lopen en net als de kloosters, de kerken en de albergues de Camino de Santiago in stand houden.

Ook lijkt het in eerste instantie een beetje gênant om, voorzien van een mooie fiets en een inmiddels unieke conditie, fluitend van de heuvels af te storten, talloze sjouwende pelgrims in vrije val voorbij vliegend. Maar als je zwaait, zwaaien ze gewoonlijk vrolijk terug. Iedereen loopt of fietst zijn eigen camino. Competitiegevoel hoort hier niet bij.
Overigens is het geen moeite, mocht het allemaal te veel worden, om de meute kortdurend te mijden. Zodra je je fiets een meter van het spoor begeeft begint de omgeving goedmoedig doch luid te protesteren. `El Camino está allí!' Ook al hebben we ons niet uitgerust met een knots van een Jacobsschelp, iedere Spanjaard snapt welke kant we op horen te gaan. Dus als je de rust zoekt, voldoet iedere afslag.
De koster van de Jacobikerk in
mijn woonplaats Utrecht zet de eerste stempel in mijn dagboekje.
Een beetje pelgrim heeft een zogenaamde credencial op zak, een
geloofsbrief waarmee je bewijst dat je een Echte Pelgrim bent.
Eenmaal in Santiago kom je met je afgestempelde credencial in
aanmerking voor het compostelaat, onder voorwaarde dat je vooral
de laatste kilometers iedere dag laat stempelen en vooral dat je
(o.a.) spirituele bedoelingen hebt. Dat is me allemaal nog te
heftig. Ik moet eerst in de stemming komen, dus tot ik het licht
zie laat ik mijn dagboekje afstempelen. Mijn dagboekje, voorzien
van vrolijk dansende meisjes op klompen, zal echter nog voor
vele opgetrokken wenkbrauwen zorgen. 'Holland!' staat erop, voor
wie het nog niet had begrepen.
Bovenop de toren van de
Jacobikerk schittert mijn eerste Jacobsschelp in de zon. `U komt
pelgrimeren' roept de koster. Ik kijk nog even achter me, maar
hij bedoelt echt mij. Vanaf nu ben ik een pelgrim. Daags voor
vertrek slaat bij mijn moeder de regen ijzig tegen de ramen.
`Maar goed dat je niet op de fiets bent` merkt ze op. Ha! Dat
zal voorlopig niemand meer kunnen zeggen. Veel woeste elementen
en geen files voor ons, zes weken lang!
Utrecht - Parijs 5 dagen, 640
kmWe fietsen dit eerste traject stevig door om meer tijd in Spanje te kunnen spenderen. Zo vaak komt een mens niet in Galicië en wat lijkt het vér hiervandaan! Het is voor ons nog een beetje vaag of we überhaupt het vliegtuig in Santiago gaan halen. We denken in ongeveer 3000 km over véél heuvels en bergen Santiago te halen. Maar ruim vijf weken lang een gemiddelde dagafstand van 80 km lijkt ambitieus, gezien ons normaliter wat gezapiger reistempo. Dit eerste stuk is lekker doorrijden geen probleem. Heuvels van betekenis zijn er niet en grote attracties zijn dun gezaaid. Al na 30 km vraagt iemand waar de reis naar toe gaat. `Uhhh, Santiago!` Klinkt nog een beetje vreemd, maar wel erg fijn! Landschappelijk komen we langs mooie stukken; een flink stuk oud spoortraject, altijd leuk, en een lang stuk langs de bovenloop van de Schelde. Op een koude natte stormachtige ochtend drinken we koffie met appeltaart op het schitterende plein van Tournai. Ondanks de ruige weersomstandigheden krijgen we ijs bij de appeltaart. Stoere jongens die Walen!
We zijn duidelijk onderweg naar
Santiago. Wanneer we aarzelen bij een afslag ontdekken we
gewoonlijk een bevrijdend Jacobs-plakkertje op een lantarenpaal.
We ontmoeten ook diverse andere pelgrims, maar nog niemand die
net als wij in een keer door wil reizen. Op maandag in Frankrijk
blijken alle winkels dicht. Dat is ons nog nooit eerder opgevallen. We likken de laatste stroopwafelkruimels van AH op en
besluiten voortaan een flinke broodvoorraad te handhaven.
De volgende dag giet het zo hard dat ik op een zeker moment een
bloedzuiger van mijn jas moet schieten. Maar toch gaat het
fietsen best. Mijn mooie nieuwe knalgele regenjack past prachtig
bij de bloeiende koolzaadvelden. 's Avonds klaart het lekker op.
De monniken van de abdij van Ourscamp stempelen stoïcijns mijn
klompen-boekje af en in ruil daarvoor mag het tentje tussen de prachtige
ruïnes staan. Terwijl de monniken de vespers zingen bromt het
brandertje vrolijk in het zonnetje. Wat een romantiek! Ik
vermoed dat we eigenlijk bij de mis verwacht werden, maar ja
honger hè, na al dat koude fietsen. De monniken lopen in een rij
langs het toetje. Ze kijken wel in onze richting, maar doen er tactisch het
zwijgen toe. De laatste etappe naar Parijs gaat door mooie oude
bossen en via eindeloze fietspaden langs eindeloze kanalen
belanden we in de buurt van het Gare du Nord. Daar is geen camping,
dus dan maar een hotelletje in (van te voren geboekt hoor).
Orléans, 2 dagen, 181 kmJe kunt goed fietsen dwars door het centrum van Parijs. Ze hebben zelfs fietspaden aangelegd. De fietspaden slingeren van links naar rechts over de wegen, dus je kunt voor een snelle passage het beste een Parijse fietser achterna scheuren. De route voert langs de Tour St.-Jacques, fris opgeknapt met een nieuw parkje. Er staat een vaag hutje met een vage man, die zowaar een stempel heeft voor mijn boekje met dansende meisjes op klompen. De Notre Dame, het Centre Pompidou, het ligt allemaal zomaar op de fietsroute. Hierna wordt het nog een heel gekeutel om Parijs uit te komen via eindeloze hekjes en hele kleine maar steile hellinkjes met als toetje een fikse tegenwind over de vlakte.
De baas van de pizzatent in
Étampes komt speciaal achter ons naar buiten hollen om zijn
wisecrack te lanceren: `Dakar, c'est par lá!`, roept hij, breed
gebarend. Zo, blijkbaar zien we er al flink doorreisd uit. Voor
het eerst is het niet ijskoud 's nachts. Hoop doet leven. De
volgende dag leidt de route ons over hoogvlakten naar Orléans.
Dat is niet zo best, want soms is het droog en soms plenst het,
maar er is altijd harde wind tegen. Heftige dag.
La Châtre, 2 dagen, 196 kmDit stuk staat niet in het gewaardeerde routeboekje van Clemens Sweerman, maar de hoofdroute naar Santiago door West-Frankrijk leek ons te saai, dus we steken over naar zijn boekje 'Langs oude wegen. Waarom makkelijk doen als het moeilijk kan? Het betekent wel dat we twee dagen zelf onze route kunnen uitzoeken en eigenlijk bevalt dat ook wel erg goed. Lekker door de bossen, laat de strakke zuidenwind maar waaien! We overnachten op de camping van Vierson. Zoals gewoonlijk zijn we bijna de enige gasten. We zijn zeker de eersten dit jaar die van de ronde stenen picknicktafels gebruikmaken, want tijdens het voorgerecht ontdekken we dat we het gezinsleven van familie koolmees geweld aandoen. Middenin de tafel, in het gat voor de parasol zit een nest. `O, pardon!' We verhuizen het brandertje snel naar een andere tafel. De volgende dag start, hoezee, met een ijskoude zon en het warmt snel op. Overal komen we kerkjes met Jacobussen tegen. Het mooie van Frankrijk is dat alle kerkjes open zijn en je mag hier overal een handgemaakte kaars (€ 1) opsteken. (i.t.t. Italië, daar mag je een milieu-onvriendelijk gloeilampje aansteken middels een muntje door een gleuf). Voor het eerst gaat het Odlo-shirt uit. ‘s Avonds koken we lekker in het zonnetje, maar ’s nachts gaan de dikke sokken en het Odlo-shirt weer aan.
Dordogne, 4 dagen, 319 km't Is afgelopen met het scheuren over de vlakten; heuvels en diep ingesneden rivieren zijn ons deel. Het afstempelen van mijn dagboekje is sinds de Tour St-Jacques niet meer gelukt. Óf het is middagpauze, óf er is sowieso geen beheerder in de kerkjes. Maar in de kerk van la Souterraine ontmoeten we de beheerder. Als ik vraag om een stempel kijkt hij sip. De kerk is in renovatie en de stempel is recentelijk verloren geraakt in de diepe middeleeuwse fundamenten. Maar, als ik achter de slager rechts en dan bij de vierde boom links ga, daar woont op nummer 3 de priester, die heeft wel een stempel. Het is niet ver. Hm, ik heb nog maar even geduld. Er staan hier prachtige hunebedden middenin het veld, maar er zijn zo weinig toeristen dat er soms niet eens een paadje naar toe leidt.
Als we bovenop een heuveltop-met-picknickbanken lunchen, komt er een collega van de andere kant aanfietsen, zwaar behangen met Jacobsschelpen. Wij kijken bewonderend zijn kant op, in deze kou alweer op deze terugweg! Dat zijn de echte stoere jongens. Hij gaat met zijn rug naar ons toe zitten, eet, en vertrekt weer zonder iets te zeggen. Hij wil niets van doen hebben met pelgrim-amateurs. In St-Leonard is het gezelliger, feest! Een Duitse collega schiet ons aan om ons te tippen over twee dametjes op leeftijd mét stempel in de krochten van de Romaanse kerk. Mooi, dat werd tijd!
Heuveltje op, heuveltje af. De oude wegen uit het boekje pakken expres de top van ieder heuveltje. In Uzerche is een prachtige camping aan de rivier met uitzicht op de middeleeuwse stad. Ook in dit antieke stadje zijn nauwelijks toeristen te bekennen.
Nóg meer heuveltjes ‘Ça grimpe,
hein!' (steil huh!) zeggen de dorpsbewoners. De wegbeschrijving
in het boekje klopt als een steenpuist, maar we krijgen een
beetje een
overdosis aan kleine weggetjes. Schitterende
uitzichten, dat wel. Relaxend bij het kraaiennest Turenne,
ontdekken we op de kaart een strakke weg richting
Vayrac. Dat is
waar ook, we moeten nog een nieuw gastankje kopen! Zalig zwieren
we in een prachtige lijn tussen de ploeterweggetjes door naar de
gastankjeswinkel. Er staat een enorm bord met de aankondiging
van Zuid-Frankrijk, hoezee! Dat moet wel een gunstig effect op
het klimaat hebben! Eindelijk breekt het goede leven aan op de
prachtige camping langs de Dordogne. Korte broek en genieten
maar van het avondlicht over het kabbelende water en de
exotische vogels. De Nederlandse buren komen even kijken. ‘Zo,
op de fiets! Je hebt van die mensen die fietsen helemaal naar
Santiago!’ Na de warme nacht vragen ze het nog maar eens op de
man af en we moeten toegeven, we fietsen helemaal naar Santiago.
Dat dachten ze al. Blijkbaar zijn we al herkenbaar als Echte
Pelgrims.
Lourdes, 5 dagen, 386 kmOnderweg naar Rocamadour valt
mijn vergammelde zonnebril van mijn neus en natuurlijk rijd ik
er met voor- en achterwiel overheen. Oh-oh, ik kan niet zonder.
We hebben al dagenlang geen zonnebrilwinkel meer gezien, maar
Jacobus zorgt goed voor ons. In Rocamadour is tussen alle
nepbrillen één flitsende fietsbril te koop en die zit als
gegoten. Verder is dit plaatsje ook spectaculair qua ligging.
Vanaf het uitzichtspunt storten we ons over de pelgrimsweg naar
beneden.Vanuit de toeristenheksenketel kan je over de ‘grand
escalier’ weer op dezelfde hoogte komen, naar de tegen de wand
geplakte kerken en het kasteel. Volgens m’n gidsje kan ik bij de
Zwarte Madonna van oudsher een stempel halen, maar ik zie alleen
maar een toeristenwinkel met twee stokbrood etende dames. 
klik voor vergrotingEn
toch, inderdaad, bij navraag wil een van de twee zich zuchtend
verheffen om mijn dagboekje met de dansende meisjes op klompen
af te stempelen. Ook verkopen ze hier blikken Jacobsschelpjes om
je fiets mee op te sieren. Na deze successen lopen we weer naar
beneden, alles terug op de fiets en dan weer omhoog natuurlijk
naar de andere kant van het dal, waar we lunchen met schitterend
uitzicht op al deze pracht, ver van het gedoe. Twee Nederlanders
op de fiets met veel vlaggen en schelpen komen buurten. Ze
vertellen hoe ‘de grand escalier’ in barre tijden als
boetedoening op de blote knieën genomen moest worden. ‘Ha, die
priesters wisten ze wel te pakken vroeger!’ Lekker klimmen hier
met lange hellingen vol met orchideeën. Na een mooie afdaling
zijn we prachtig op tijd in Vers, waar we door dezelfde mannen
aan de praat gehouden worden. Daarna schiet een bejaard dametje
ons aan om te vertellen over de duivel in de brug van Cahors.
Intussen wordt het tijd voor de tent, dus we kopen een enorme
berg voer en rijden we met krakend beladen fiets naar de camping municipal, DICHT! Vooruit dan maar, volgende camping. Die blijkt
boven een verticale helling te liggen. Terwijl we onze
overbeladen fietsen omhoog duwen, valt een wolk muggen aan. We
zijn weerloos op die rothelling. De camping blijkt stampend vol
met groepen.
Uit arremoei verplaatsen we de tent tweemaal. Een
treurige Franse buurman komt vragen of we de poubelle gezien
hebben. Helaas. De milieu-terreur heeft op de Franse campings
keihard toegeslagen en gewoonlijk bevindt de poubelle zich
onderaan een (voor beladen fietsers met één hand aan de
vuilniszak) levensgevaarlijke helling. Jaja, het leven van een
Echte Pelgrim gaat niet altijd over rozen, en zo hoort het ook.
Zonnebloemen en kalksteenvelden, we voelen dat we Spanje naderen. In Moissac is een prachtig plein met uitzicht op de pelgrimskerk, waar je lekker kunt eten. De kerk heeft een rijk gebeeldhouwd portaal. De passerende zondaars die hun aflaat nog niet binnen hadden moesten buiten in het portaal overnachten. Daar konden ze in het beeldhouwwerk boven hun hoofd de hele nacht genieten van taferelen uit de hel. Owee als je Santiago niet haalt! Blijkbaar kruisen we hier een aanlooproute, want opeens zien we veel lopende pelgrims.
Wind en regen. Gelukkig hebben
veel dorpjes een verlaten gemeenschapshuis waar je lekker
beschut en kopje soep kunt maken. De laatste kilometers naar
Lourdes heeft Clemens Sweerman een enorme bocht op de kaart
ingetekend. We willen graag de Maagd zien en laten de bocht
links liggen. Een discutabele beslissing, want de D940 blijkt
toch wel een beetje te eng voor het leuke. Er is veel zwaar
verkeer, het is een beetje krap en de weg
heeft een vlijmscherpe
schouder met afgrond en prikkeldraad. We arriveren opgelucht bij
het heiligdom. Een paar honderd meter verder en een klein stukje
de helling op is een uitstekende camping, zodat we te voet de
wonderen kunnen aanschouwen. Dat is handig, want het heiligdom
is vrij toegankelijk, maar de fiets moet buiten blijven. Onder
Hollandse etenstijd arriveren we bij de heilige grot. Dat is
heel mooi, want om deze tijd is er geen kip en je kunt zó de
grot in lopen, tip! We zijn onder de indruk van alle pracht
hier. De kerken, de processie, de enorme kaarsenzee, alle
gelovigen, het vormt een uniek geheel.
In het heiligdom blijkt ook een kantoor van St.-Jacques te zijn. Fijn, want na alle spiritualiteit van de afgelopen weken begin ik me te generen voor het boekje met dansende meisjes op klompen. De volgende ochtend past Peter op de fietsen bovenaan de weg. Ik krijg de opdracht om, als het makkelijk gaat, twee credencials aan te schaffen. Het is nog een hele wandeling. Vraag 1: een identiteitsbewijs? Stom! Ik kijk heel zielig en zeg dat mijn fiets met mijn paspoort héél ver weg staat. Na overleg met de baas en nadat de dames mij het Odlo-shirt van het lijf hebben gevraagd en de overdracht van €2 word ik de trotse bezitter van een heuse credencial. (met de naam Anna Maria en het beroep van verpleegkundige ben ik toch zeker een serieuze kandidaat) Helaas blijkt het bezit van een credencial niet te helpen tegen opgetrokken wenkbrauwen, want iedereen vindt het héél raar dat Peter er geen heeft.
De Pyreneeën, Jaca, 3 dagen 164
kmDe weg naar Oloron Ste-Marie is de mooiste van de hele route. De zacht golvende weg geeft weidse uitzichten op de besneeuwde toppen van de Pyreneeën. We zijn vroeg in het warme Oloron en besluiten om, tegen onze gewoonte in, de aankomst om te beginnen met een biertje te vieren. Prompt kunnen we de hele kathedraal in deze superscheve stad en de camping niet vinden. Al die rothellinkjes met een biertje in de benen, dat valt niet mee. Via het toeristenbureau komt gelukkig alles goed.
Onder een strakke blauwe hemel gaat het richting pas. Het eerste stuk schiet qua hoogte niet op. Veel verkeer en beetje klimmen, beetje dalen. Op 730 meter ontdekken we dat we voor de laatste camping voor de pas staan. Dan maar een middagje wandelen, de Pyreneeën zijn te mooi om er in één dag dwars doorheen te ploeteren. Opgelet, er is niet veel hier in Urdos. Het restaurant is gesloten en er is alleen een piepklein winkeltje dat we bijna leegkopen om een avondmaaltijd te bereiden. Brood moet je reserveren, maar voor morgenochtend is dat gelukkig geen probleem. Urdos heeft ook een stationnetje, maar het is lang geleden dat er een treintje stopte. We lopen een stukje van de Camino, maar die blijkt hier slecht onderhouden. Het is hier hééél rustig. De hoofdroute naar Santiago loopt dan ook westelijker, over Saint-Jean-Pied-de-Port.
De volgende ochtend halen we
één lopende pelgrim in die zich helemaal te pletter schrikt van
onze onverwachte en fluisterstille passage. De uitzichten worden![]()
steeds mooier. En daar is de pas, de grens met Spanje! We zijn
om meer dan één reden reuze blij dat we op de grens staan.
Frankrijk is leuk hoor, maar zo stijf. En er zijn erg weinig
winkels en kroegen op de route. En al dat vocht... na de
ontdekking van een verpletterde naaktslak in de ontvouwen
buitentent zijn we helemaal toe aan een beetje woestijn.
(Pelgrimstip: naaktslakken zijn het beste van de binnentent te
verwijderen door er bij het ontwaken van binnenuit met de vinger
tegen aan te schieten) De kroeg op de pas is duidelijk Spaans.
Er stijgt een verwelkomend Spaans kabaal uit op. De kroegbaas
weet te vertellen dat een tampon St.-Jacques (Jacobsstempel) in
het Spaans een tampon Santiago heet, aha. Hij vraagt zich
duidelijk af waarom Peter geen tampon wil en Peter neemt zich
voor bij de eerste de beste gelegenheid ook een credencial aan
te schaffen. Hij wil niet voor baarlijke heiden versleten
worden. Juichend scheuren we naar beneden het hete Jaca binnen.
Daar gaan de winkels pas op 17:00 open, Spanje hè. Dus drinken
we tevreden een biertje, vieren we onze aankomst met een extra
grote fles wijn bij de maaltijd en duiken we de kroeg in voor
een Spaanse likeur, Ponche Caballero, om op de Camino te
proosten. Daar schenken ze een Spaanse maat, goed voor 4 ruime
Hollandse likeurtjes.
De volgende ochtend word ik wakker met hoofdpijn. Hoe zou dat nou komen?? Geeft niks, hoezee we zijn in Spanje!
Burgos, 376 km, 5 dagenBij het ontbijt blader ik door ons nieuwe routeboekje. Ai, Santiago! Ik schrik ervan dat ook aan deze lange pelgrimsreis een einde gaat komen. Nou, eerst nog heel Spanje door. Het eerste stuk is niet om over naar huis te schrijven, veel lange provinciale wegen. Ik word tot mijn verrassing 2x aangehouden door de Guardia Civil omdat ik geen helm heb. De tweede keer kijkt de man zeer chagrijnig en schrijft €150 in zijn hand. Nu is een helm al héél lang verplicht in Spanje, maar uit vele eigen ervaring en die van anderen weten we dat gewoonlijk niemand zich daar iets van aantrekt. Ze zijn zeker knorrig hier omdat ze op zondag moeten werken. We beloven een helm te kopen bij de eerste gelegenheid. (Een nieuwe voor Peter dan, dan knoop ik zijn rottige oude helm achterop.) Langs de weg staat een enorm bord ‘einde van de ongelukkenrijke zone, scheur maar weer raak.' Ah, vandaar die plaatselijke helmplicht. Aan het eind van de dag komt het toch nog goed met de route; hij voert over een oud spoortraject door een diepe kloof. Overal gieren, prachtig.
Hierna worden de wegen rustiger
en het landschap ruiger. Bij Puenta la Reina komen we definitief
op el Camino. Alle pelgrims uit alle windstreken passeren deze
brug. Dit is dé weg, alle andere wegen, van minder historisch
gewicht, zijn bijzaak.
![]()
Om nog meer in de stemming te komen doen
we een stukje wandelcamino over een historische brug, keurig
gerestaureerd. We overnachten in het middeleeuwse stadje Estella,
een plaatsje om een dagje te voet te verkennen.
Temidden van de wandelcolonne doen we het klooster van Irache aan. Het klooster is zeer de moeite waard, maar de grote attractie hier is de wijn die gratis uit de muur komt. Tot een ieders teleurstelling is de tap precies vanmorgen drooggelegd. Twee vrolijke Spaanse dames laten het er niet bij zitten en gaan op zoek naar de sommelier. Even later is het geregeld. Wij weten van een eerder bezoek dat de grap een grotere attractie is dan de wijn zelf, dus we gaan het klooster bekijken, zo in het holst van de ochtend.
In Logroño is een Decathlon zodat we ons helmprobleem kunnen oplossen, waarna er uiteraard nooit meer iemand aanstoot neemt aan mijn helmloze hoofd. In Logroño zijn de restaurants vanaf 21 uur open, maar het is niet helemaal duidelijk wie daar moeten eten. Pelgrims niet, de wandelaars liggen om 21 uur op één oor. De Spanjaarden ook niet, die eten tapas, staande aan de bar. We gebruiken een stille maaltijd in een van de verlaten restaurants terwijl het leven bruist op straat.
Inmiddels hebben we een superconditie en we vliegen over de weg. Soms gaan wandel- en fietsroute samen. Wat sneu, al die mensen die hun fiets zijn vergeten denk ik stiekem. Nou ja, zij zullen wel het nodige van ons denken.
Ik raak steeds verder
gefascineerd door het geheim van de Jacobuscultus. Waar liggen
de wortels van deze massale trektocht? De onderste steen gaat
boven en ik onderneem een solo zij-expeditie naar Clavijo. Het
is een fikse klim, over een lange, steile, doodlopende
slingerweg, maar zeer de moeite waard. Clavijo is een
kraaiennest boven een kloof. In 844 heeft hier volgens
de overlevering een beslissende slag tegen de Moren plaatsgevonden.
De katholieken waren hopeloos in de minderheid, maar Jacobus
heeft toen de zaken even rechtgezet. Hij is verschenen op een
woeste hengst met vlammend zwaard en heeft hoogstpersoonlijk
hopen Moren verpletterd. Sindsdien heeft hij
de bijnaam 'Matamoros',
de Morendoder. Aan het eind van de verticale weg is een dorpje
en ook nog een groot deel van het oude kasteel. Er staat een
keurig bord in twee talen, een bijzonderheid in dit land. Het
begint met een hoop blabla over de streek en een à propos,
Jacobus is hier verschenen, en nadat hij de zaken heeft
rechtgezet heeft de koning alle Spanjaarden opgedragen een
bedevaart te ondernemen naar het graf van Jacobus. Maar, zegt
het bord ook, het is allemaal niet echt gebeurd. Aha, nu snap ik
het. Deze bloederige episode uit de Jacobuscultus is politiek
incorrect en wordt dus onder het vloerkleed geschoffeld. Ik doe
een poging om mijn credencial op deze belangrijke plek af te
laten stempelen, maar dat kan ik helemaal vergeten. Er is hier
niets behalve te vergeten geschiedenis. Het kasteel is overigens
schitterend, met prachtige vergezichten en uiteraard heb ik het
helemaal voor mezelf alleen. Ook de jacobushermitage op een
tweede topje verdient niet eens een bordje op de deur. Terug
naar de meute dan maar. Ze missen soms wel wat door elkaar zo
achterna te lopen!
Wie zin heeft in wat afwisseling kan het beste de tent opslaan in Berceo. Vanaf de camping kun je een mooie dagtocht wandelen langs twee fraaie kloosters (Monasterio de Yuso en de Suso).
Tot nu toe hadden we harde
westenwind tegen, maar langzamerhand groeit deze uit tot een
fikse storm, met als hoogtepunt de laatste etappe naar Burgos.
Overal liggen uitgeputte fietsers in een verlaten landschap in
de koude berm. Wat een toestand! Het gaat ook nog regenen. Wat
het rotweer in Frankrijk niet voor elkaar kreeg, hier op 1000
meter heb ik het brr koud! In het gidsje lees ik ‘op dit traject
kan men enige tegenwind verwachten` Ik vertel het aan een
eenzame Spaanse fietser die terecht opmerkt `nou in Burgos waait
het ook` Dat merken we als we dichtbij Burgos een stukje de
drukke N120 moeten volgen. Soms is er weinig ruimte en geven de
vrachtauto’s een enorme dreun van windgolven. Om bij te komen
gaat het laatste stukje over rustige weggetjes en door het bos.
De kathedraal van Burgos is prachtig.

We verheugen ons op een beetje
hoogvlakte, maar met die wind blijft het ruig fietsen. Hier in
Spanje heb je zeer frequent albergues. Een overblijfsel uit de
Middeleeuwen. Pelgrims die in het bezit zijn van een credencial
kunnen hier (zo goed als gratis) overnachten. Wij bedanken
vriendelijk voor de eer, want deze etablissementen zijn berucht
vanwege het aanhoudend gesnurk op de volle slaapzalen. Je kunt
overigens vaak voor een luttel bedrag je tentje bij de albergue
opslaan en we hebben uiteraard geen bezwaar tegen een
gemeenschappelijke douche. In de mooie ruïnes bij Castrojeriz is
ook een, door vrijwilligers gedreven albergue. Achter een
flapperend tentzeil kunnen we de ijzige Spartaanse stapelbedden
tegen de middeleeuwse muren zien.
Nou, we gaan toch maar voor
een bed boven de kroeg in Castrojeriz zelf. Trouwens, als er
albergues in de buurt zijn, en dat is bijna overal, dan zijn er
ook pelgrimsmaaltijden. Voor gemiddeld 8 euro pp krijg je drie
gangen en een fles wijn! Voor het geld hoef je niet zelf te
koken op de camino.
Verder gaat het over de hoogvlakte. Eindeloze rechte wegen met slierten wandelaars en van tijd tot tijd een dorpje met een Jacobskerk. Het is somber, regenachtig en er staat een harde westenwind, maar wij schieten tenminste nog een beetje op dankzij onze wielen. Sinds we in Spanje onze koers van strak zuid naar strak west hebben gewijzigd hebben we last van harde westenwind en ik begin te geloven dat dit een constante is, maar bij nadering van León gebeurt het wonder: mooi weer en een aangenaam windje in de rug. Een hotel in León is snel gevonden zodat we zorgeloos van het goede leven kunnen genieten in deze mooie stad, proost! Tip: zorg dat je op tijd een tafeltje verovert om te eten, want vanaf 20 uur stromen alle terrasjes vol met Spanjaarden die de hele avond blijven zitten met hun tapas en wijn.

Met aanhoudende rugwind
passeren we het laatste stuk van de Meseta. Vlak voor Hospital
de Orbigo komt 4 km kiezelgrindweg volgens het gidsje.
Grindwegen zijn keienwegen hier, weten we door stuiterende
ervaring in het recente verleden. We werpen één blik op de keien
en slaan eensgezind rechtsaf, richting de N120. Een goede keuze
blijkt, de N120 is hier lekker breed en van nieuw asfalt
voorzien. De wandelcamino loopt er ook precies langs blijkt. Als
we al een tijdje heerlijk in het zonnetje op de prachtige
loopbrug boven de Rio Orbigo zitten te genieten komen
Nederlandse collega’s verrammeld aanfietsen. Officieel lagen ze
voor, maar ruig als ze zijn dachten ze de keienweg wel even te
tackelen. We nemen nog maar een colaatje. Nu hebben we de
vlakten wel gezien en we fietsen nog een stukje de berg op door
middeleeuwse dorpjes. In Rabanal is bij de eerste de beste
albergue een mooi veldje voor je tentje. Wat is het toch een
mooi iets, deze pelgrimage. Zonder Jacobus zouden deze dorpjes
inmiddels zijn leeggelopen, maar de camino houdt tradities en
dorpjes levend. Toerisme zonder smerig autoverkeer, fantastisch!
Ook traditie: bij het krieken van de dag gaan de
![]()
wandelaars op
pad. Wie na 14 uur bij zijn beoogde albergue arriveert, vindt de
bedden gevuld met collega’s. Fietsers met eigen tentje daarentegen vertrekken
comfortabel om een uur of tien. We fietsen vlot de pas op, naar
het Cruz de Ferro, waar de pelgrim symbolisch een steen
achterlaat. Ik graaf langdurig in mijn voortasje en vis er een
piepklein smoezelig steentje op, van mijn vaders graf. Pa was
vast ook zo graag naar Santiago gefietst, maar in zijn tijd
waren de Ardennen al een heel avontuur. Ik sla het steentje diep
in de houten standaard van het Cruz. Na de pas knallen we zomaar
900 meter naar beneden, veel te steil voor het leuke. Zonde van
al die hoogtemeters. Gelukkig mag je na 50 km met dezelfde vaart
weer omhoog. Wie kijkt er nog op een hellinkje! Om precies te
zijn volgen hier vier passen achter elkaar. Prachtige
uitzichten. En steeds meer pelgrims. Op de laatste pas staat een
gigantisch beeld van een pelgrim die met de elementen worstelt.
Maar wij zijn pas-mazzelaars. Op onze pasdagen is het altijd
goed weer.
Santiago, 2 dagen, 161 km
Vanaf Triacastela volgt de route een ongewoon mooie en makkelijke weg, zwierend door de dalen. Geniet ervan, want er komen in de finale vele steile heuveltjes. In Triacastela blijkt een fietsbelg die we twee weken eerder ook ontmoet hebben, in hetzelfde hotel te bivakkeren. Dat is een van de leuke dingen op de camino, je komt voortdurend oude bekenden tegen. Hij is helemaal uitgeheuveld en gaat ‘straight’ naar Santiago. Dit keer doen wij ruig door het boekje tot de laatste meter uit te ploegen. Nog een hele klus, het zijn bij elkaar 1440 hoogtemeters vandaag volgens mijn teller. Landschappelijk is het ook niet veel, maar als bonus krijg je wel een uitzicht op de Pico Sacro, de heilige berg, in de buurt waarvan de botten van Jacobus de nodige eeuwen verborgen hebben gelegen.
Santiago! Maak niet dezelfde
fout als wij door eigenwijs rechtsom de ingang naar het plein
voor de kathedraal te zoeken. Er zijn overal trappen in deze
scheve stad en de enige ingang voor de fiets is linksom. Maar
dat heb je ook wat! We hebben ongelofelijke mazzel met het weer
want ons hele verblijf in Santiago is het schitterend blauw.
De
opengewerkte barokfaçade is overdekt met korstmos en zo mooi
dat we er, knus tegen een pilaar leunend vele urenlang naar gaan
zitten kijken. Het tafereel op het plein is overigens ook zeer
de moeite waard. Telkens worden nieuwe binnenkomers op het plein
roerend omhelst door collega’s. Ook de mannen van het keienpad
fietsen binnen en delen broederlijk hun fles bubbels. Wat een
feest hier en het gaat maar door.
We bezoeken de pelgrimsmis en we hebben weer mazzel; het wierookvat wordt voor ons neus vervaarlijk heen en weer geslingerd. De vaste priester kijkt tijdens het slingeren stoïcijns voor zich uit terwijl de pelgrims gillen, maar de Amerikaanse gastpriester kijkt met open mond heen en weer of het een tenniswedstrijd betreft. Ook worden de binnengekomen pelgrims per afkomst met een noodgang afgeroepen. De Spanjaarden worden zwaar voorgetrokken. Ze worden per provincie genoemd, terwijl alle andere binnenkomers per land op een hoop worden gegooid. En de laatsten komen in principe van verder toch! Iedere dag zit de kerk tijdens de pelgrimsmis stampendvol.
Als de rust is wedergekeerd
bestuderen we met de verrekijker het altaar. Een ja hoor, flink
bestoft en onderbelicht ontdekken we de Matamoros in vol ornaat
bovenop het altaar. Gezeten op zijn paard hakt hij drie Moren
aan mootjes. De Middeleeuwen laten zich niet verloochenen.
We willen nog een paar dagen strand voordat we weer aan het werk moeten dus we pakken de trein naar Portomarin. Dat gaat heel goed met de fiets en Portomarin is een leuk plaatsje met Jacobs-bezienswaardigheden, maar de wegen op dit schiereiland zijn erg druk. Er zijn overigens wel hele mooie strandjes met zeer helder zeewater. En de temperatuur van de Golf van Biskaje valt niet tegen. Goed smeren, want na zo’n avontuur komt er op het strand stralend wit vel te voorschijn!
Met Ryanair vliegen we ‘s morgens terug naar Frankfurt. Het vliegveld bij Frankfurt ligt bovenop de Hondsrug, vandaar fiets je bergaf het Moezeldal in, alwaar je de regionale train naar Emmerich kunt nemen. Dan fiets je de grens over naar Zevenaar en de NS brengt je mooi op tijd naar huis. Dachten we. Tot aan het opladen van de fietsen bij Frankfurt ging alles perfect. Maar helaas liggen de startbanen in de weg tussen de uitgang en het Moezeldal en bovendien was de meest voor de hand liggende regionale weg voor eeuwig afgesloten. Dus moesten we na een hoop gezoek eerst aan de verkeerde kant van de Hondsrug een stuk afdalen en misten we nét een geschikte trein in het Moezeldal en waren we blij die avond nog thuis te komen. Kortom, dit is een goede route om terug te keren, maar bereid je voor op de transfer bij Frankfurt.
Ook goed om te weten: het
personeel van de luchthaven bij Santiago is zeer gesteld op
volledig platte fietsbanden, maar aan de goede kant accepteert
het iedere verpakking.
Tot slotWaarom zijn de pelgrimages zo
popi tegenwoordig ? Na zes weken camino voor mij geen vraag meer
maar een weet. In
ons dagelijks bestaan hebben we een eindeloze
keuzevrijheid verworven. Waar in de Middeleeuwen je levensdoel
van je geboorte af aan vast lag, (trouwen, kindertjes maken en
de rest van je leven huishouden dan wel net als papa b.v.
molenaar worden, afhankelijk van je sekse) word je vandaag de
dag gedwongen tot keuzes van de wieg tot het graf. Als je
ongelukkig bent is dat je eigen schuld, je maakt de juiste
keuzes niet! De moderne mens wordt er gestoord van. Nee, dan een
pelgrimage. Wekenlang hoef je niets te beslissen van enige
consequentie. Het doel is duidelijk en ver weg, zodat je ruim de
tijd hebt om tot rust te komen. En ook mooi: iedereen vindt het
leuk en knap wat je doet, zowel ter plekke als in Nederland. Al
besef je zelf donders goed dat een bedevaart een egoïstische
bezigheid is, het stimuleert toch.
Er zijn altijd redenen te bedenken waarom een lange afwezigheid nu niet goed uitkomt, maar volgend jaar kan te laat zijn! Bedenk of je écht zo onmisbaar bent in Nederland. Het kan ook heel verfrissend zijn, zowel voor jou als voor je omgeving om te ervaren dat de wereld helemaal niet instort als je zes weken weggaat. Dus ik zou zeggen; doen! Niet volgend jaar, nu!
Zoek op De Wijde Wereld:
Echte bikkels fietsen natuurlijk vanuit Santiago de Compostela gewoon terug naar huis, maar voor wie minder tijd of zin heeft, is het vliegtuig de eenvoudigste, snelste en goedkoopste optie voor de terugreis.
Voor alle maatschappijen geldt dat je tevoren altijd moet informeren naar de precieze voorwaarden voor fietsvervoer door de lucht (kosten, vereiste verpakking) en zo mogelijk een fietsplek moet reserveren om onaangename verrassingen te voorkomen.
Vind je terugvliegen met je fiets te veel gedoe, dan kan Soetens Transport voor €119 je fiets vanuit Santiago per vrachtauto naar je huisadres in Nederland vervoeren. Bagagevervoer kost € 59,50 extra. Soetens vervoert geen personen, dus zelf moet je per vliegtuig of trein terug naar huis.
In Frankrijk zijn voldoende campings binnen fiets-dagafstand, zowel op de westelijke route als op de oostelijker "Langs Oude Wegen"-route. Wel kunnen campings tot juni of na half september gesloten zijn, dus enige flexibiliteit is nodig. In de meeste plaatsen van enige omvang zijn wel een of meer hotels.
In Spanje liggen de campings soms meer dan een dagafstand uit elkaar, maar er is ruim voldoende aanbod van goedkope hostals; veel albergues en refugios voor Santiago-pelgrims zijn ook voor fietsers opgengesteld, maar wandelaars hebben meestal voorrang en een pelgrims-credencial is vereist. Soms kun je op een grasveldje kamperen bij een albergue, waarbij al dan niet naar een credencial gevraagd kan worden.

Zowel in Frankrijk als Spanje zijn er genoeg mogelijkheden om inkopen te doen en het is dan ook niet nodig proviand voor meer dan een dag mee te nemen. Buiten het hoogseizoen zijn er op campings vrijwel geen voorzieningen, dus reken niet op een winkeltje of restaurant op de camping. Pâtisseries en pastelerias bieden in vrijwel iedere plaats uitkomst als halverwege de ochtend de honger toeslaat.
's Avonds bieden veel restaurants aan de pelgrimsroute in Spanje tot circa 21 uur een goedkope en smakelijke pelgrimsmaaltijd, het menú del peregrino: drie gangen, meestal inclusief wijn, voor € 8 tot € 12. Daar kun je zelf bijna niet tegenop koken.
De fietsroute naar Santiago de Compostela staat uitstekend beschreven in de onmisbare routeboekjes van Clemens Sweerman: Sint Jacobs Fietsroute 1 (Haarlem-Tours), 2 (Tours-Pyreneeën), en 3 (Pyreneeën-Santiago), met als heuvelachtiger alternatief tot aan de Spaanse grens de route Langs Oude Wegen 1 (Maastricht-Nevers) en 2 (Nevers-Pyreneeën). Al deze routeboekjes, waarvan regelmatig updates verschijnen, zijn te bestellen bij de Fietsvakantiewinkel.