Fietsen in de Oriente, een rondrit in oostelijk Cuba
Dat Cuba een eigenaardig land is waar het de
reiziger niet altijd even gemakkelijk wordt gemaakt, is bekend.
Maar Cuba is ook een land waaraan velen hun hart verpand hebben,
ondanks alle problemen voor bevolking en toeristen. Alle reden om er eens een kijkje te nemen
en wel per fiets, zodat het transportprobleem alvast goeddeels
opgelost is. Met de nodige noodvoeding en een waterfilter in de
fietstassen menen we voldoende opgewassen te zijn tegen de
mogelijke ontberingen van Castro's Cuba.
We gaan snel op zoek naar een hapje eten. Er is
nauwelijks straatverlichting, maar we belanden toch op het
centrale plein waar we op het terras van een cafetaria met
opvallend veel Nederlandse mannen met Cubaanse vriendinnen prima
eetbare kip met frites en koud bier bestellen. Uit het nabije
Casa de la Trova klinkt melodieuze son. Cuba lijkt zo gek nog
niet!
Bij daglicht blijkt Holguín een aangename
stad waarbij de indruk van de vorige avond dat we een vijftigtal
jaren terug in de tijd zijn geplaatst, bevestigd wordt. Overal in
de straten klinkt het geklikklak van paardenhoeven, reclame
ontbreekt vrijwel geheel en de winkels hebben een onvervalst
Oostblok-karakter. Snel wisselen we wat dollars voor pesos om van
de koopjes in die valuta te kunnen profiteren. In dollarwinkels
en -restaurants is alles even duur als in Nederland, maar het
(weinige) eten en drinken dat je voor pesos kunt kopen, zoals de
onvolprezen, kleffe Cubaanse kaaspizza, kost hoogstens enkele
dubbeltjes.
Gibara
Op het centrale plein kletsen we wat met een leraar die ons
vertelt dat we beslist naar Gibara moeten. Zo gezegd, zo gedaan.
De weg naar Gibara blijkt aangenaam rustig en voert door dorpjes
met weinig mogelijkheden tot proviandering maar wel een bakkerij
waar we na enig overleg enkele kadetjes krijgen. Betaling wordt
geweigerd; het blijkt dat brood op Cuba uitsluitend met bonnen
verkrijgbaar is. We voelen ons ineens bedelaars. Aangekomen in
Gibara worden we bestormd door jongens op fietsen die ons naar
casas particulares willen brengen. We laten ons ondanks alle
waarschuwingen in de reisgidsen half meeslepen naar het pension
van "de broer" van een van hen, omdat we het ons aanbevolen adres
niet direct kunnen vinden. Voor 20 dollar hebben we een mooie
kamer aan een prachtige binnenplaats in een koloniaal pand. 's
Middags worden we op straat aangehouden door een onbekende.
"Jullie hebben in Holguín mijn broer gesproken en zouden
in mijn casa logeren!" Oei, we wisten niet dat we zo goed in de
gaten gehouden werden. Blijkbaar heeft de leraar een nauwkeurig
signalement doorgegeven aan zijn broer.
Gibara ligt aan de kust, maar heeft geen strand. Dat ligt 15 km
verderop, aan het eind van een onverharde weg. In de nederzetting
aldaar krijgen we maaltijden met vis of schildpad aangeboden,
maar we hebben onze eigen proviand meegebracht. De
voedselsituatie lijkt toch minder problematisch dan gedacht,
particulieren zijn graag bereid voor een paar broodnodige dollars
een potje te koken voor toeristen.
Guardalavaca
Op naar Guardalavaca, een troosteloos oord vol toeristenbunkers
maar met een mooi strand. Helaas regent het zodat we ons beperken
tot een Italiaans ogende pizza in een van de weinige
eetgelegenheden; alle toeristen eten en drinken hier
all-inclusive in hun eigen hotel. Rond Guardalavaca worden we
gepasseerd door talloze gele autobussen, op weg naar Barendrecht,
Maartensdijk of Buiten Dienst Ze worden ingezet om de
duizenden werknemers van de hotels aan te voeren uit de
omringende plaatsen.
De dorpen lijken wel te varen bij alle
werkgelegenheid die het toerisme brengt want de huizen zijn hier
opvallend goedgebouwd, met fraaie bloementuinen. Het reguliere
passagiersvervoer is heel wat primitiever. Af en toe zien we open
vrachtwagens, volgestouwd met passagiers. De chauffeurs zijn
meest particuliere rijders, die verplicht worden hun auto ter
beschikking te stellen voor deze "busdiensten".
Op
vele kruisingen staan hele meutes op vervoer te wachten. Nadert
er een vervoersoptie, dan begin iedereen erheen te rennen zodra
die gestopt is, van kleine peuters tot oude vrouwtjes, en
probeert de vrachtwagen op te klimmen. Geen verheffend gezicht,
maar de situatie is al een stuk beter dan begin jaren negentig,
toen er helemaal geen auto's meer reden wegens benzineschaarste
en de gehele bevolking een fiets aanschafte. Nog altijd wordt er
heel veel gefietst op de toen geïmporteerde Chinese brikken,
ook in heuvelachtige gebieden. Diverse malen worden we op steile
hellingen gepasseerd door jongens op krakende fietsen zonder
versnelling die onmogelijk zware lasten op de bagagedrager
meetorsen en regelmatig horen we verhalen aan van mannen die met
de fiets op een dag enorme afstanden hebben afgelegd. Cuba is dan
ook een van de eerste landen buiten Europa waar we niet voor gek
worden versleten omdat we per fiets reizen in plaats van per
comfortabele bus of auto.
Via een deels onverharde weg fietsen we richting Mayarí, een onbetekenend provincieplaatsje dat vermelding kreeg in het wereldberoemde nummer Chan Chan, onder meer vertolkt door de Buena Vista Social Club: De Alto Cedro voy para Marcané / Luego à Cuelto voy para Mayarí. In een plantsoen zien we enkele peso-stalletjes waar vruchtensap, broodjes en gefrituurde koeken te koop zijn, een prima lunch voor een habbekrats. We zijn op weg naar de campismo Río Cabonico, een Cubaanse camping waar je niet kunt kamperen, maar wel een eenvoudig hutje met een bed kunt huren. Tot onze schrik is de langs een rivier gelegen campismo die avond gesloten: rustdag van het personeel. De bewaker lijkt niet van zins ons terwille te zijn en enig iniatief te ontplooien; maar we kunnen niet anders dan blijven want in de verre omtrek is geen hotel te vinden en het wordt zo langzamerhand schemerig. Na enige tijd weten we hem te overreden en trommelt hij een functionaris op die de sleutel van een hut voor ons regelt. De vrouw die het vandaag gesloten restaurant beheert, biedt spontaan aan voor ons een maaltijd met kip en rijst te bereiden. En zo is alles met enig geduld weer prima geregeld.
Na
een nacht vol junglegeluiden beginnen we aan de relatief zware
etappe naar Moa, met flink wat pittige heuvels. De weg is in
redelijke staat, met slechts enkele onverharde stukjes,
gemotoriseerd verkeer is er bijna niet en het landschap is groen en
tropisch, zodat het een aangename dag wordt onder een vrijwel
wolkenloze hemel. Het eind van de etappe is minder fraai:
Memorabel is ons diner in hotel Miraflores; het is de enige keer
dat we in een typisch staatsrestaurant eten, waarover we al
zoveel horrorverhalen gelezen hebben. Loeiende airco zodat
het ijskoud is, rijst met taai vlees en zure groenten in een
minieme portie tegen forse prijzen, gekozen van de uitgebreide
menukaart waarvan vrijwel alle gerechten uitverkocht dan wel
nooit in voorraad geweest zijn. Alleen het personeel is minder
amechtig dan we verwacht hadden en maakt een montere indruk,
zelfs onder de genadeloze tl-verlichting.
Richting Baracoa wordt de vegetatie steeds uitbundiger. In deze
noordoosthoek van Cuba valt de meeste regen van het eiland, maar
wij profiteren van enkele dagen met niet al te heet en zonnig
weer. We nemen onze intrek in Hotel Porto Santo, redelijk luxe
met een goed ontbijtbuffet en als extra attractie een strandje
waar Columbus ooit voet aan wal gezet zou hebben. Helaas ligt het
strandje vol zwerfvuil en verkiezen de hotelgasten het
hotelzwembad. Na twee dagen luxe en vele vakkundig bereide
mojito's, de nationale cocktail, nemen we onze intrek in een
prachtige koloniale casa in het centrum van Baracoa, waar de
eigenaar ons ter verwelkoming vergast op een lekker glas met
ijsblokjes gekoelde Spaanse Rioja, vergezeld van zijn vrijmoedige
kijk op de politieke situatie in Cuba.
Cuba blijft ons nog elke dag verbazen: als we per abuis tegen
het verkeer in een eenrichtingstraat in fietsen, roept een hele
rits mensen ons direct toe dat we moeten stoppen en voor de
policia moeten oppassen. En als we na een glijpartij over
spiegelglad vers geteerd asfalt wat steriel gaas willen kopen in
de apotheek, begint de assistente haar voorhoofd te deppen met
het als voorbeeld meegebrachte lapje gaas. `Is dat tegen
transpiratie?' vraagt ze. Nee, steriele gazen kennen ze niet op
Cuba. Het lukt daarentegen wonderwel om op het postkantoor een
email op te stellen, tussen bedienden die met een prehistorisch
ogende telex in de weer zijn en luidkeels telegrammen doorgeven
via een zwaar storende radioverbinding. Versturen van de mail mag
pas nadat adres van verzender en ontvanger nauwgezet in een
schoolschrift genoteerd zijn.
Met een loeiende storm in de rug naderen we Guantánamo,
waarvan een inwoonster bezongen werd in het legendarische lied
Guantanamera. Als we pauze houden bij een
strandcafé en om een biertje vragen, de enige drank die
aanwezig is volgens de barkeeper, klimt hij op de fiets en
verdwijnt tegen de storm in over de heuvel die we zojuist zijn
afgedaald. We kunnen niets anders doen dan wachten. Na een half
uur komt hij terug met twee flessen koud bier. Na hem uitvoerig
bedankt en adequaat beloond te hebben voor deze wonderbaarlijke
geste vervolgens we onze tocht langs de zee, en even later tussen
bananenplantages door, nu met de wind schuin tegen. We
fietsen langs uitgestrekte kazerneterreinen, de Cubaanse
verdedigingslinie tegen de Amerikaanse basis in Guantánamo
Bay, die we vanaf een heuveltop heel in de verte zien
liggen.
In Guantánamo is het feest, groot feest. Een
hele reeks muziekgroepen speelt in de hoofdstraat en zo genieten
we die avond van het hele scala aan Cubaanse muziek van son tot
mambo en van Cubaanse rap tot loeiharde salsa. De processie met
het beeld van Santa Barbara met bijbehorende voodoo-taferelen
halen we niet, om elf uur slaat de vermoeidheid toe na alle zon
en wind en de ruim 120 km fietsen van overdag. De airco op de
kamer maakt weer overuren tegen de straatherrie.
In Guantánamo kunnen we voor het eerst zomaar gewoon brood
kopen bij een straatverkoper. Prima als afwisseling onderweg voor
de pizza die we gewoonlijk nuttigen. De weg naar Santiago de Cuba
is deels een vierbaans snelweg, maar dat maakt weinig uit voor
het fietsplezier want gemotoriseerd verkeer is vrijwel afwezig.
Pas vlak bij Santiago wordt het drukker. In een villabuurt vinden
we na enig zoeken een mooie casa met grote tuin. Een oase van
rust. Na een dagje snorkelen en duiken in een resort aan de kust
genieten we die avond in de casa van een in de supermarkt
aangeschafte fles Spaanse wijn en vis met rijst die de gastvrouw
bereid heeft. We krijgen het niet helemaal op, wat tot grote
consternatie leidt. `Die vis was niet goed! Mijn vaste verkoper
was er niet en nu moest ik van die kleine rotvisjes kopen!' Hoe
vaak we haar ook verzekeren dat de vis prima was, ze is volkomen
van slag. En dan hebbben we haar nog niet eens verteld dat we de
volgende avond in de stad willen gaan eten...
Santiago zucht onder de smog, veroorzaakt door zware roetwolken uitbrakende bussen en vrachtwagens. Al even hinderlijk zijn de vele jiniteros, die ons allerlei ongewenste diensten willen aansmeren. Santiago is een levendige stad, bepaald niet ingeslapen zoals Holguin en Baracoa. Op het centrale plein spelen de hele dag muziekgroepen, en 's avonds genieten we in het legendarische Casa de la Trova van de vermaarde band Estudiantina Invasora (zie de YouTube-video hiernaast), voor de somma van 1 dollar per persoon. Een primitieve poging tot zakkenrollerij wordt trefzeker afgeslagen, maar we zijn wel een beetje bang dat dit een eerste teken is van serieuzere vormen van criminaliteit tegen toeristen waarmee andere Caribische eilanden al langer te maken hebben.
Via Bayamo rijden we door uitgestrekte suikerrietplantages terug naar het vliegveld van Holguin. Een campesino die een eind met ons meefietst, weet van alles over Holanda te vertellen: koeien, melk molens, tulpen, kaas, welvaart. Hij verhaalt over zijn eigen sores: al maanden is er geen diesel voor de machines die het land moeten irrigeren, zodat de oogst miserabel dreigt te worden. Het is hem een raadsel hoe het allemaal verder moet; verbetering is niet op til. Geen wonder dat iedereen in de rum vlucht. Als hij afslaat, wenst hij ons nog een goede reis en wij hem veel geluk.
Martinair vliegt rechtstreeks vanaf
Schiphol naar Havana en Varadero. Vanuit Düsseldorf vliegt
Air Berlin
naar
Varadero.
Het vervoer in Cuba is nog altijd moeizaam, maar de situatie verbetert wel.
Onlangs zijn er meer dan 1000 Chinese bussen voor interlokale trajecten
aangeschaft en de Viazul-bus heeft weliswaar een beperkt routenetwerk, maar is
betrouwbaar. Maar als je niet wilt fietsen, is een auto huren natuurlijk de
meest flexibele optie.
Er zijn beslist goede hotels op Cuba, maar ook heel slechte, met een service die doet denken aan die in het vroegere Oostblok, en verbazend slecht eten. Een goed alternatief zijn de casas particulares, particulieren die een kamer verhuren aan toeristen. De kamers worden door de staat gecontroleerd en moeten aan een redelijke standaard voldoen. In veel casas particulares kun je ook ontbijten en het avondeten gebruiken. Voor 5 tot 8 euro krijg je een goede, maar sobere maaltijd, wat vaak neerkomt op kip, salade, bananenchips en rijst. Wie Spaans spreekt, kan interessante gesprekken voeren met de uitbaters.
|
Wat & Hoe reisgids Cuba |
Cuba Martina Miethig |
A Rough Guide Map Cuba Rough Guides |
|
| Compacte, kleurrijke reisgids | De mooiste reisregio's en autoroutes | Een goede kaart is belangrijk voor elke reiziger in Cuba. Bestel nu met 9% korting. | Accuraat en met verrassende tips (2007), 20% korting. |